Vedic Youth Netherlands

  • Vergroot letter grootte
  • Standaard letter grootte
  • Verklein letter grootte

Hindoe huwelijk

E-mail Print PDF
Gebruikers waardering: / 98
LaagsteHoogste 

Deze artikel vertelt over de plechtigheden, ceremoniën, riten en gebruiken rondom het huwelijk onder Hindoes uit Suri­na­me. Onder deze Hindoes bestaan twee hoofdstro­min­gen, name­lijk de Sanatan Dharam en de Arya Samaj.
De Sanatan Dharam is het tradi­tio­nele Hindoeïsme, zoals dat in de loop van de eeuwen vorm en gestalte gekregen heeft. De Arja Samaj is een hervormingsbeweging binnen het Hin­doeïsme, in 1873 opgericht door Swami Dayananda. Hij wilde terug naar de bronnen, de Veda's.
De beschrijving van het huwelijk in dit artikel volgt de traditie van de Sanatan Dharam. Op en­kele rituelen en ge­bruiken na lopen de plechtigheden van het hu­we­lijk bij de Arya Samaj in grote lijnen gelijk aan dat bij de Sanatan Dharm. Het huwe­lijks­ritueel bij de Sanatan Dharm is uit­ge­breider en rijk aan traditionele gebruiken.

Auteur: Hari Rambaran

Bron: Ohm Vani maart 2008 

Inleiding
Het hindoeïsme is één van de oudste levensbeschouwin­gen. Een levensbe­schouwing kan worden omschreven als het ge­heel van opvattingen, houdingen, handelingen en gedra­gingen die mensen hebben of vertonen wanneer zij naden­ken over de zin en het doel van het leven en in relatie daar­mee hande­len. Het gaat dan om de prak­tij­ken die men ont­wikkeld heeft, de traditie die men voortzet en die zowel door een individu als door een groep gedeeld worden. Hier­bij kunnen over­we­gingen over de betrok­ken­heid op een trans­cen­dente werke­lijkheid (God, Ishvara) mede een rol spelen, zoals onder veel Hindoes dat het geval is. Bij de re­flec­tie op het leven wordt er dan van uit­gegaan dat buiten de bestaan­de zicht­bare werke­lijkheid ook een niet-zichtbare (transcen­dente) werkelijk­heid is. Dit besef bena­drukt de ver­bon­den­heid met de ander en met het trans­cendente en reikt verder dan het in relatie staan tot de naaste omgeving alleen.
Het hindoeïsme is een levensbeschouwing waarin men uit­gaat van de eenheid tussen geest en materie om het be­staan mogelijk te maken. Hindoes geloven in de godde­lijk­heid en de onsterfe­lijkheid van de ziel. Dit geloof wordt ge­zien tegen de achtergrond van een absolute werkelijkheid (Brahma), van waaruit een relatieve werkelijkheid in een bonte schakering in verschei­den­heid van vormen oprijst. Dit proces laat zich kenmerken door een eindeloze reeks van ontstaan, bestaan en vergaan. Er is wel een alles­om­vat­tende een­heid en samenhang in de wereld, niet zichtbaar verborgen achter de schone schijn van de uiterlijke vormen. Men heeft een scherp onder­scheidingsver­mo­gen nodig om een een­heid in die verscheidenheid te onder­kennen.


Het hindoeïsme bevat geen strak omlijnde leerstellingen, dog­ma’s en strikte leefregels. Het neemt telkens de vorm aan die zijn belijders, de Hindoes, zelf aan geven. Daardoor is het een verzameling geworden van gods­dien­sten, filo­so­fieën, geloofsgemeenschappen, tradities en ge­woonten. Er is wel een eenheid in die verscheidenheid aanwezig, zoals de eenheid van het bestaan,
Het vermo­gen om za­ken van elkaar te kunnen onder­schei­den is een hoogte­punt van het mense­lijk ver­nuft. De bekro­ning van de menselijke geest is zijn vermogen om te kunnen onderscheiden. In de regel gaat men echter maar al te graag uit van allerlei aan­na­mes en veronder­stellingen. De meeste mensen laten zich doorgaans leiden door (onge­schreven) gewoonteregels en rituelen - door rita en rivaja - in plaats van een beroep te doen op het eigen gewe­ten en de rede.
Levensbeschouwing reiken naast opvattingen en concepten ook normen en symbo­len aan, die men volgt en gebruikt wan­neer men zich bezighoudt met het nadenken over het leven en het verwezenlijken van levensdoelen. De normen krijgen dan waarden. Sommige handelingen, ge­ba­ren en voor­wer­pen krijgen in de loop van de tijd, door de overle­ve­ring, een bij­zondere be­tekenis en verwerven aanzien in de bepaalde traditie. In die traditie dragen zij een officiële verheven karakter en heten rituelen. In het ritueel hebben specifieke sym­bolen een ver­sterkende werking.


Rituelen en symbolen hebben een onder­steu­nende en een zingevende functie (gekregen) en bieden op moei­lijke mo­menten ook troost. De meeste rituelen en symbolen zijn ver­bonden aan bijzon­dere momenten in het leven van iemand, Door het ritueel wordt iemand gehol­pen om tot een nieu­we levensfase te ko­men. Deze overgangsriten markeren de verschillende sans­kaars, zoals de rituelen die verbonden aan de geboor­te, de naam­geving, het huwelijks­ritueel en het afscheids­ritueel.
Rituelen raken de diepere emoties bij de aanwezigen en heb­ben daardoor een samenbindend karakter. Zij bren­gen de aanwezigen in een plechtige, serene sfeer bij elkaar en hebben naast een religieuze, ook nog sociale en culture­le betekenis. Zij worden begrepen en ervaren door al dege­nen die met deze rituelen zijn opgevoed of over een lange peri­ode de rituelen eigen hebben gemaakt. Rituele handelingen kunnen zich richten op het persoon­lijke vlak, maar ook op het intermen­se­lijke (sociaal) niveau, waarbij groepsproces­sen een rol spelen. De ceremoniën die verband houden met het Hin­does­taans huwelijk vormen een goed voor­beeld van zulke rituelen.


Hindoes delen hun leven in vier fasen in. In de eerste fase staan opvoeding en onderwijs cen­traal. Aan het kind worden de normen en waarden geleerd. Het moet leren de eenheid en de verbondenheid van de schepping (het bestaan) te bewandelen. Deze fase heet bramhacarya.
De tweede periode in het leven, grihasti, begint met de hu­welijkssluiting. De geestelijke volwas­senheid blijkt uit de zorg voor het gezin en het func­tioneren in de samenleving.
De derde fase in het leven doet zijn intrede wanneer de kinderen op eigen benen kunnen staan. Langzamerhand trek­ken de ouders zich terug van hun verant­woorde­lijkheid voor het gezin, krijgen daardoor meer tijd en gaan zich rich­ten op de maatschappelijke levensbe­schouwelijke vragen van de sa­menleving. Hun eigen levenservaring wordt inge­zet voor de gemeenschap, waarin zij leven. Familie­ban­den worden geleidelijk aan losser, terwijl het besef groeit, dat men zich dienstbaar moet maken aan de gemeen­schap.
Bijna ongemerkt gaat men de vierde fase in. Wereldse en familierelaties zijn niet meer alles be­palend; evenmin rijk­dom en bezit. De gelovige pro­beert vrij van hartstochten en van wereldse ver­lan­gens te leven en is zich bewust van de ver­gan­ke­lijkheid van al het geschapene, ook van het eigen lichaam. Het enige verlangen die men dan koestert is om moksha, de verlossing te bereiken: het door­bre­ken van de kringloop van geboren wor­den en dood gaan. Meditatie, ge­bed en sociaal werk nemen in deze levensperiode een zeer belang­rijke plaats in.


Het huwelijk is een sanskaar. Dit woord betekent vorming, denk bijvoorbeeld aan het woord sanskriti, dat civilisatie, be­schaving betekent. De sanskaars markeren het pad waar­langs de vorming en de opvoeding plaatsvindt. Twaalf van de vijftien sanskaars worden in de kinderjaren, voor het huwelijk, voltrokken. Het huwelijk is de 13e sanskaar. De sanskaars daarna zijn bedoeld om iemand te begeleiden naar een vol­gende levensfase.


Samen met het huwelijk vindt grihastashram sanskaar plaats en treden de pasgehuwden de huis­houdfase in. Met de pen­sionering treedt men de derde levensfase in, de vanaprast-ashram. Iedereen mag zelf bepalen wan­neer men de vierde levensfase intreedt en sanniyasi of sanniyasin wordt.
Deze ordening van het leven in vier fasen is een ideaal­ty­pische indeling. De meeste Hindoes blijven knus in de twee­de fase (de huishoudfase). Slechts een enkeling onder de Hindoes uit Suriname (e.o.) is over­ge­gaan tot de vierde fase en kosmopoliet geworden.


Het laatste in het rijtje van de rituelen is antayasti, crematie of begrafenis. Dit wordt in de regel ook sanskaar genoemd, maar is slechts een rituele handeling, een kriya. Een over­le­dene kan immers geen vorming, opvoeding of begeleiding krijgen, van­daar dat antayashti een kriya is, een handeling.
Vedisch gezien begint de vorming van het kind al voor de ge­boorte. Vandaar dat de sanskaars in twee groepen zijn inge­deeld: in de sanskaars die voor de geboorte plaatsvinden (prenatale) en in sanskaars die na de geboorte plaatsvinden (postnatale).


De prenatale sanskara's zijn: 1. garbhadhana, de concep­tie; 2. punsavana, het vast­stel­len van de zwan­gerschap; 3. sim­antonayana, extra aandacht voor de groei van de foetus.
De postnatale sanskara's zijn: 4. jatakarma, de geboorte van het kind; 5. namkaran, de naamgeving; 6. niskraman, voor het eerst in de buiten­lucht en het 'aanschouwen’ van de zon; 7. annaprashana, het gebruik van vast voedsel; 8. chuda­karma (mundan of muran), het kaal scheren van het hoofd van het kind. 9. karnavedha, de oorbellen en de neus­vleugels worden doorgeprikt; 10. upanayana (janeeuw), de ini­tiatie; opname bij een leermeester, goeroe; 11. vedarambha, begin van de schoolperio­de; 12. samavartana, einde van de eerste levens­fa­se; 13. vivaha, het huwelijk; begin van de tweede le­vens­fase; 14. vanprashta-ashram-, het begin van de derde le­vens­fase; 15. sanyasa-ashram-, het begin van de vierde le­vens­fase.
Na het overlijden volgt nummer 16. antyashti-kriya, de crema­tie of begrafenis.
Het traject dat Surinaamse Hindoes volgen om een huwelijk te sluiten, kent tal van gewoonten, gebruiken en riten uit het volks­geloof. Met name jonge mensen die het geloof en de traditie van hun ouders eerder met het hoofd dan met het hart belijden of willen voortzetten, doen soms een beroep op rede en stellen vragen. Men wil weten waarom het een en ander gebeurt. Zij krijgen echter zelden afdoende antwoor­den, terwijl het vermogen om antwoorden te zoeken op vragen, juist de bekroning is van de menselijke ontwikke­ling; een ontwikkeling die leidt naar de verlossing.


1. Huwelijksvormen in de vedische traditie

De naam die hindoes geven aan de plechtigheden rondom de huwe­lijkssluiting is vivaha (wiwaah); in het Hindoestaans ;bihaa. Het woord vivaha betekent 'wegdragen' van de bruid en herinnert aan het gebruik (in India), waarbij de bruid door de bruidegom wordt 'weggedragen' in een draagstoel.
In de vedische traditie, het hindoeïsme, worden acht vor­men van huwe­lijk ge­noemd. De volgorde waarin die hierna opge­noemd worden is niet wille­keurig ge­kozen, maar is gerang­schikt op de graad van waardering die een be­paal­de vorm van het hu­welijk geniet. Bramha-vivaha - de eer­ste in de rij - wordt gezien als de hoogste vorm en Pis­haca-vivaha als de laagste in de rang­orde[1].
1. Bramha-vivaha is de huwelijksvorm waar­in man en vrouw voor elkaar kie­zen om samen door het leven te gaan. Deze keus is gemaakt zonder de bemoeienis van de weder­zijd­se ouders (of fami­lie) en zonder priesterlijke dan wel kerke­lijke rituelen. De rituelen wor­den door het paar zelf verricht (zon­der tussen­komst van een pandit).
2. Daiva-vivaha is het huwelijk dat tot stand komt nadat en doordat man en vrouw, in het openbaar, samen een yajna (een offerritueel) uit­voeren en elkaar trouw belo­ven. Wan­neer beide partners in staat zijn de yajna zelf uit te voeren, is de hulp (de tussenkomst) van een derde – in de regel een priester – niet nodig.
3. Arsha-vivaha is het huwelijk dat tot stand komt door het ge­ven van geschen­ken door de bruid (of haar familie) aan de brui­de­gom (of aan diens familie).
4. Prajapati-vivaha is het huwelijk waarbij zowel de man als de vrouw zijn voor­gelicht over de plichten die de huwelijkse staat met zich mee­brengt. Dit huwelijk wordt geslo­ten in het bijzijn van geno­dig­den (familie en kennis­sen). Nadat de aan­staan­de bruid en bruidegom elkaar trouw hebben be­loofd en de plichten na te komen die de huwe­lijkse staat hen voor­schrijft, worden de daarbij ­behorende ritue­len ver­richt,
5. Asura-vivaha is het huwelijk dat tot stand komt door het ge­ven van geschen­ken aan de bruid en haar familie.
6. Gandharva-vivaha is het huwelijk waarbij man en vrouw uit weder­zijdse liefde zich voornemen om samen door het leven te gaan, zonder een specifiek huwe­lijksritueel.
Deze kan worden beschouwd als een vorm samenwonen.
7. Rakshasa-vivaha is het huwelijk dat tot stand komt door ont­voe­ring van de vrouw.
8. Pishaca-vivaha is het huwelijk dat tot stand komt wanneer de vrouw in dronken­schap, be­dwelmd of in de slaap wordt ont­voerd.
De wijze waarop Hindoes uit het Caraï­bisch gebied – Suri­name en omgeving - en ook in Neder­land, de huwelijken van hun kinderen slui­ten (het Hindoestaans huwelijk) is een meng­vorm die elementen bevat uit zowel de Prajāpati- als de Arsha huwe­lijks­vor­m. Meest in het oog springen daarbij:

  • de be­moeienissen van de weder­zijd­se ouders;
  • de aanwezigheid van de ouders van de bruid (voor de kan­niya-daan, het 'overgeven’ van de bruid);
  • het huwelijksritueel voltrokken door een priester;
  • het geven van geschen­ken, meestal aan de bruid.


Bovendien vindt men er veel tradities en gebruiken in terug uit het volksgeloof (zie 6. Traditie en gebruiken).
Soms kiest men voor onge­huwd 'sa­men­wonen’, waardoor niet zelden span­ning ontstaan tussen ouders en kin­de­ren. Hindoestaanse ouders zien liever dat hun kin­de­ren ge­huwd het ouderlijke huis verlaten. Er is hierover enig onbegrip over en weer aanwezig. Daarom is hierboven in het kort aangegeven wat de verschillende huwelijksvormen in­hou­den. Men kan zelf nagaan in hoe­ver­re 'samenwonen’ afwijkt van – dan wel over­een­komt met – een van de genoemde vormen. Wanneer men besluit om (ongetrouwd) samen te gaan wo­nen, kan men zelf een vorm van 'inzege­ning’ uit­kie­zen. Voor de hand lig­gen de vormen 'Bramha- of Gand­harva-vivaha.
Het is verstandig en aan te raden bij het aangaan van een huwelijk het een en ander wet­te­lijke te re­gelen. De huwe­lijkse staat is im­mers de plaats voor het ver­werven van artha (geld en goe­deren; bezit in het alge­meen) en voor 'kama’ (waar­onder het ver­krij­gen van kinde­ren). In ieder land (iede­re samen­leving) zijn ten aan­zien van bezit en van de kinde­ren wette­lijke bepa­lingen. Aan die be­palingen zal men moe­ten vol­doen om eventuele juri­dische pro­ble­men te voor­ko­men. Welke vorm men ook kiest, we­derzijdse liefde dient de door­slag te geven en ouders dienen zich nuttig en be­schermend, maar wel terug­hou­dend, op te stellen.


Wanneer er getrouwd wordt, komt het burgerhuwelijk het eerst. In Suriname werd een Hindoestaans huwelijk als wettig beschouwd wanneer het was gesloten door een priester die daartoe door de overheid gemachtigd was. Een apart burgerlijk huwelijk was dan niet nodig. In Neder­land is dit wel vereist. Hier is de priester gelijkgesteld aan de gees­telijken van andere religies. Hij mag alleen huwelijken vol­trekken, die eerder al op het gemeentehuis gesloten zijn.
Na de gang naar het Stadhuis (de burgerlijke stand), volgt een ont­vangst en komt in de avond het gebruikelijke huwe­lijks­feest.


2. Het Hindoe huwelijk


Het huwelijk bij de Hindoes is monogaam. In het huwelijk wordt de twee-eenheid van het mannelijke vrouwelijke in God weerspiegeld. God is voor de Hindoe zowel mannelijk als vrouwelijk. Slechts één man en één vrouw kunnen door naar elkaar toe te groeien samen een beeld vormen van deze eenheid in God. Naast spirituele groei, is dat ook het idee omtrent het huwelijk.
Onder de Hindoes is het de gewoonte (geweest?) dat de ouders uitzoe­ken wie met hun zoon of dochter trouwt. Daar kan men in Nederland heel vreemd tegenaan kijken. Maar men moet niet vergeten dat dit in West-Europa evengoed heel lang gebruikelijk was. Daarnaast kent men in het Hin­doeïsme vanouds ook de traditie van de swayamwar'. Dat wil zeggen, dat de dochters van belangrijke koningen en priesters in het verleden het recht hadden zelf hun partner te kiezen. In principe kan dit nu nog. Bovendien ziet men dat in Suriname - en zeker in Nederland - ook in bredere kring op­nieuw de gedachte veld wint, dat man en vrouw elkaar zelf moeten kiezen. Hoewel dit dus in de Hindoe traditie in be­paalde gevallen al mogelijk was gebeurt het nu, waar­schijn­lijk als gevolg van de invloed van de westerse cultuur, alge­meen. Toch zien de meeste hindoe-ouders het als hun taak voor hun kind een geschikte partner te vinden. Hierbij is men gebonden aan een groot aantal regels. In Suriname en ook in Nederland is het niet altijd mogelijk deze regels hele­maal in acht te nemen. Dan past men zich aan de om­stan­digheden aan. Onder heel wat Hindoes leeft de gedachte, dat als de partners elkaar zouden uitkiezen, zoals in de westerse cultuur, de basis voor dit huwelijk verliefdheid zou zijn. Dat vinden zij een veel te wankel fundament.


Een meisje of jongen mag de partner, die is gekozen, weigeren. Dat zou door de andere partij als een belediging op­gevat kunnen worden. Om zo'n weigering te voorkomen wordt de keuze zorgvuldig voor­bereid. De pandit of priester, tot wie de familie zich in allerlei voorkomende gelegenheden wendt, wint bij collega's en anderen inlichtingen in over geschikte huwelijks­kandidaten. Daarbij is ook van groot be­lang onder welk sterrenbeeld de kandidaten geboren zijn. Maar op dit punt valt wel eens te schuiven. Via de pandit wordt de familie eerst in contact gebracht met de andere familie. Daarna ontmoet de familie de partner en zo gaat de procedure verder. Op deze manier wordt een aantal fasen ingebouwd. Bij elke fase kan men stoppen, zonder dat één van de partijen dit pijnlijk is. Ook gebeurt het wel, dat een jongen of een meisje zelf een oogje op iemand heeft. Ook dan wordt een pandit of familielid ingeschakeld om te bemid­delen. Nadat men tot overeenstemming is ge­komen en is gekeken of de as­trologische gegevens van beide part­ners met elkaar over­eenkomen, vindt de ver­loving plaats. Die verloving noemt men barchekkie.


De priester stelt de juiste tijd voor de huwe­lijkssluiting vast door te kijken naar de stand van de sterren en de planeten. Hij gaat na welke maand, dag en uur het gunstigst is.
Natuurlijk komen er ook huwelijken voor die gesloten wor­den zonder de goedkeuring van de wederzijdse ouders of met toestemming van slechts één ouderpaar.
Bij een eventuele tweede huwelijk vinden al deze proce­dures niet meer plaats. Over dit tweede huwelijk staat ver­derop meer. Soms wordt voor het huwelijk door de familie van de bruid aan de familie van de man een bruidsschat gegeven. Tegenwoordig komt dit gebruik in Nederland steeds minder voor. Wel geeft men voor de uitzet geschen­ken die goed te ge­bruiken zijn. Ouderen willen nog wel eens prachtige sie­ra­den in zilver en goud aan het bruidspaar geven. In de heilige boeken wordt over het geven van een bruidsschat helemaal niet gesproken. Talloze Hindoes zien dit daarom als een verwording, die zo snel mogelijk moet verdwijnen.




3. Plechtigheden in verband met het huwelijk
Volgens de traditie van de Sanatan Dharam


In Nederland komt het gebruik van een draagstoel, waarin de bruid wordt weggedragen, niet voor. Men verkiest tegen­woordig gewoon een auto en duidt het woord vivaah op de officiële ver­bintenis tussen twee personen.
Het uitvoeren van de verschillende handelingen vergt een aantal dagen en het eigenlijke huwelijksritueel ten­minste en­kele uren. In Nederland komen de plechtigheden dikwijls onder tijdsdruk te staan; ook neemt de invloed van de gods­dienst bij jonge mensen af. Een groot aantal jongeren trouwt wel op de hindoewijze om de ouders geen verdriet te doen. Maar dan hebben zij nogal eens bezwaar tegen de lengte van de ceremonie. Omdat de vereiste zangers en zange­ressen die de oude bruiloftsliederen nog kennen, in Neder­land niet altijd beschikbaar zijn, maakt men gebruik van op­na­mes. Zo zijn er meer dingen die in Nederland, af­hankelijk van de omstandigheden, op een andere manier worden aangepakt. Het beeld van de plechtigheden, zoals hieronder geschetst, kan daarom afhankelijk van plaats, mogelijk­he­den verschillen.
Tijdens de huwelijksceremonie worden bruid en bruidegom gekleed en behandeld als een koningin en koning. Boven­dien hebben zij ieder iemand die hen helpt in het ritueel.
We beginnen bij de verloving of barchekki. De verloving vindt plaats wanneer zowel het meisje als de jongen hun instemming hebben gegeven met het aanstaande huwelijk. De dag en de datum van het huwelijk worden bepaald in het huis van de jongen. Hierna volgt in de praktijk een vrijer contact tussen beide families. De verloving wordt beklonken door de rituele overhandiging door de vader van het meisje van een geschenk van zijn familie aan de jongen.


Bij de Sanatan Dharm vindt na de verloving in het huis van de aanstaande bruidegom het ritueel plaats dat Tilak heet. Dit kan beschouwd worden als de ondertrouw. Door het uit­spreken van heilige teksten door de pandit en het aan­bieden van kleine offerandes wordt God vereerd. Na de cere­monie biedt de aanstaande schoonvader een geschenk aan zijn aanstaan­de schoon­zoon aan. De geschenken be­staan uit geld en/of goud, zoe­tigheden en fruit, waaronder altijd een kokos­noot als teken van vruchtbaarheid. Daarna brengt de vader van de bruid op het voorhoofd van zijn aan­staande schoonzoon met ge­kleurd poeder een ronde vlek aan, het teken van de kroon­prins.


Tussen ondertrouw en huwelijks­slui­ting ligt meestal een pe­riode van enkele weken, maar dit tijdvak is niet ver­plicht.
Twee dagen voor het huwelijk vindt bij de Sanatan Dharm matkorwa plaats. Dit is een feestelijk gebeuren, waarbij vrouwen op een schone plaats bij een waterloop (rivier, stroom, beek) een beetje aarde opgraven. Van de aarde maakt men zeven balletjes. Bij het huis van de bruid gaat een deel van deze aarde naar de speciaal voor haar inge­richte ruimte, waar zij later zal worden aangekleed en opge­maakt. De aarden balletjes worden gebruikt als een onder­deel van het huwelijksritueel. De vruchtbaarheid van de aarde - onmisbaar is voor alle leven - wordt gesym­boliseerd door de opgegraven aarde: gehoopt wordt, dat dit huwelijk even vruchtbaar zal worden als moeder aarde zelf. De bruid wordt gezien als moeder aarde en de bruidegom vertegen­woordigt het zaad. De plechtigheid van matkorwa wordt alleen door vrouwen verricht.

Bij de Sanatan Dharm wordt één dag voor het huwelijk zo­wel bij het huis van de bruidegom als bij de woning van de bruid een bamboeplant en een bananenboom geplant. Hier­omheen wordt de māro, een huwelijksbaldakijn, ge­maakt. Maro is een afgezonderde ruimte waarin het huwe­lijksritueel platsvindt. De dag voor het huwelijk vindt zowel het huis van de jongen als van het meisje Bhattwaan plaats. Dit is een gezellige bijeenkomst van vooral familieleden, maar ook goede vrien­den en bekenden zijn ook welkom; (vergelijk het met de in Nederland bekende vrijgezellen­avond). Nadat een offer­dienst (hawan of katha) is gehou­den, worden zowel de aan­staande bruid als de brui­degom (elk nog in het eigen ouder­lijk huis) voorgelicht over de tweede levensfase. Vooral wijst de pandit hen hierbij op de verplichtin­gen die zij als man of vrouw door het huwelijk op zich nemen.

De belangrijkste ceremonie hierna is het poffen van padie (ongepelde rijst) door de vrouwelijke leden van de familie. Deze gepofte padie heet lawa en dient als offerande bij de huwelijksceremonie. Tijdens het poffen van de padie zingen de vrouwen speciale liederen. Tegenwoordig maakt men veel gebruik van platen en cassettes. Dit ritueel - lawa-bhoejai – wordt uitgevoerd door de zusters van de vaders, samen met de zusters van de bruid of van de bruidegom. Het is ge­brui­kelijk dat de aanwezigen deze dames een ge­schenkje aan­bieden. Het geheel moet wel ludiek blijven. Deze dag is vooral bedoeld om de huwelijksdag goed voor te bereiken. Men bereid zich voor om (een deel van) het (vegetarisch) voedsel klaar te malen voor die dag en ook voor de volgende dag. Veder wordt de maro afgemaakt.


De volgende dag is de huwelijksdag zelf. Familie, vrienden en kennissen komen ten huize van de bruidegom bij elkaar om straks met de bruidstoet mee te gaan. Zo'n bruidsstoet heet barat. Nadat de bruidegom in een kleurrijk gewaad ge­huld is, vinden twee belangrijke gebeurtenissen plaats. De moeder laat voor het laatst haar zoon samen met andere ongehuwde jongens rijstebrij eten. Het tweede is het beëin­digen van de moederlijke zorg. De moeder drukt haar zoon tegen haar borst, alsof ze hem voor de laatste maal melk wil geven. Na het huwelijk begint hij samen met zijn vrouw een zelfstandig leven. Dit momnet is vol emotie, vooral voor de moeder, maar de zoon troost haar met het vooruitzicht op een schoon­dochter.


Na het afscheid van de moeder vertrekt de zoon met zijn bruidsstoet naar het huis van de bruid. Bij dit vertrek en bij de aankomst ontsteekt men traditioneel vuurwerk en slaat men soms op de trommel. De vader van de bruid heet zijn aanstaande schoonzoon en diens vader - en daarmee ook de bruidsstoet - plechtig welkom met een omhelzing. Bij de Sanatan Dharm wordt een kort gebedsritueel, dwarpuja, gehouden. Met deze ceremonie smeekt men de zegen af van Ganesha (de godheid de bescherming biedt).


Ook bij het Arya Samaj smeekt een priester met behulp van mantra’s (heilige teksten) Gods zegen en bescherming af voor het huwelijk. Hierna gaan allen de bruidszaal binnen. De bruidegom krijgt een speciale plaats aangewezen, waar­na de parchan, de verwelkoming van de bruidegom volgt. Ook dit ritueel wordt alleen door vrouwen uitgevoerd. De moeder van de bruid begint. Zij neemt een koperen schaal, met daarop een brandend oliepitje (diyali), kleine deeg­balletjes en bloemen in de hand. Daarmee draait zij boven het hoofd en om het gezicht van de bruidegom rond. De deegballetjes worden in de vier windrichtingen gegooid om aan te geven dat een ieder is ongenodigd om deel te nemen aan het huwelijksmaal. Daarna volgen andere vrou­wen, meestal uit de familie. Van hen krijgt de bruidegom versna­peringen en geschenken aangeboden. De bedoeling van parchan is ook om de bruidegom publiekelijk aan de gasten voor te stellen. Bij deze plechtigheid wordt door de vrouwen muziek ge­maakt en gezongen. Ondertussen wor­den dege­nen die in de bruidsstoet zijn meegekomen goed onthaald.
Vroeger werd tot op dit moment ge­wacht met het aankleden en het opmaken van de bruid. Nu het huwelijk niet meer in de ouderlijke huizen wordt afge­sloten, maar meestal in een zaal, is de situatie anders.


31. In de maro, onder het huwelijksbaldakijn


Als eerste voegt de bruid zich bij de priester onder het bal­dakijn. Een oudere broer van de bruidegom, in de regel de oudste, geeft een geschenk aan de bruid en hangt een koord, meestal van gouddraad, om haar hals of aan haar arm. Dit wordt ritueel heet dhag-path. Vanaf dit tijdstip treedt hij op als haar beschermer in deze huwelijkse staat.
In de māro geeft bruid een teken van haar dankbaarheid door offeranden in het vuur te werpen. Zij doet dit zittend met haar gezicht naar het oosten. Uit het oosten verwacht zij haar toekomstige echtgenoot, als was hij de rijzende zon die geluk en glans brengt in het leven. Dan nodigt de bruid door tussenkomst van de pandit de bruidegom uit om ook onder de baldakijn plaats te nemen. De bruid heet hem welkom door hem een bloemenkrans om te hangen en hem het speciale huwelijksbankje aan te bieden. Bij de Sanatan Dharm welkom vader de bruidegom door hem symbolisch de voeten te wassen met een scheutje water.
Het bruidspaar gaat vervolgens tegenover elkaar zitten, de bruid met haar gezicht naar het westen en de bruidegom met zijn gezicht naar het oosten. De bruid biedt hem nu een glas water aan om zijn mond symbolisch te reinigen voor het uitspreken van mantra’s. Hierna krijgt hij een mengsel van honing, yoghurt en ghi (geklaarde boter). Hij kijkt er in, roert het tot een massa en sprenkelt kleine druppeltjes in de vier windstreken en drie keer omhoog. De rest wordt in drie gelijke delen verdeeld. Dit betekent, dat wat hij voortaan ver­dient, niet voor hem alleen is. Hij moet bedenken, dat ande­ren, ja zelfs de maatschappij, van hem en zijn vrouw afhan­kelijk zijn. De pandit zegt vervolgens heilige teksten op, ter­wijl de bruidegom telkens een deel van de rest van het mengsel opdrinkt.


Dan reinigt hij opnieuw zijn mond en smeekt hij om gezond­heid van geest en lichaam en om kracht. Dan volgt het ritu­eel dat kanyadan heet. De ouders van de bruid ko­men on­der het baldakijn. Zij geven enkele kleine geschen­ken aan de bruidegom. Vervolgens vraagt de vader aan de bruide­gom of hij zijn dochter als vrouw wil aanvaarden. De ouders van de bruid leggen op dit ogenblik de hand van hun doch­ter op die van de bruidegom en vragen hem of hij bereid is de volle zorg en verantwoor­delijkheid voor haar te dragen. Als de bruidegom hierop bevestigend antwoordt, mogen zijn ouders op hun beurt geschenken aanbieden aan de bruid. Anderen kunnen dit ook doen.


Vervolgens gaat de bruid rechts van de bruidegom op het huwelijksbankje zitten en zij gaan samen verder met de offerdienst, die de bruid al was begonnen, voordat de brui­degom de maro had betreden. De bruidegom houdt nu de rechterhand van de bruid vast en legt zeven geloften af, waarna hij haar vraagt hem tot haar man te nemen. Nadat de bruid 'ja’ gezegd heeft. legt zij ook geloften af. Daarna volgt de rond­gang rond het offervuur. Samen zeggen zij in het Sanskriet, de heilige taal van de Hindoes: 'kom, laten wij huwen, mogen wij in liefde vereend, stralend en welgezind, vele jaren leven'. Dan keren bruid en bruidegom hun gezicht naar het oosten en leggen de volgende gelofte af: 'Geachte aanwezigen, in het bijzijn van u allen verklaren wij, dat wij elkaar volkomen vrijwillig hebben aanvaard als man en vrouw en wij beloven, dat wij ons met innige liefde voor elkaar het huwelijk zullen beleven, tot de dood ons scheidt.’ Hierna gaan zij samen voor de derde keer rond het vuur. Er komen nu nog vier rondgangen, waarbij de bruid drie keer voorop loopt en een jongere broer van haar telkens lawa (de gepofte padie) schept op een nap, die zij in haar hand houdt. De lawa werpt zij iedere keer in het vuur. Dan begint de laatste rondgang, waarbij de bruidegom voorop loopt.


Daarna wordt de rest van de lawa in het vuur geworpen. Als teken dat deze twee elkaar verbonden zijn, wordt een uit­einde van de schoudersjaal of sjerp van de bruidegom aan het eind van de sari of van de sluier van de bruid vastge­knoopt, terwijl de priester spreuken uitspreekt, die bedoeld zijn om geluk en voorspoed te brengen. De bruidegom maakt dan het haar van de bruid een beetje los. Dit betekent dat zij nu samen de huwelijkse staat zijn ingegaan. Vervol­gens zetten beiden zeven stappen in noordoostelijke rich­ting, de richting van de Poolster. Dit ritueel heet sathpadi.
De poolster en de zon zijn nu getuigen van hetgeen er in de maro is geschied. Om hun verbintenis te verzegelen zetten bruid en bruidegom de rechtervoet vooruit (op een steen rotsblok) waarna ze de linkervoet aanschuiven. Dan geeft de bruid als eerste haar zegen aan de bruidegom door hem te besprenkelen met water. Een jongere broer van de bruide­gom doet dit ook. Hij wordt de vertrouwensman van de bruid in de tijd die voor haar ligt.


Bruidegom en bruid raken elkaars hartstreek aan en hij legt zijn hand op haar voorhoofd om zo zijn zegen te geven. Het komt ook wel voor - en bij de Sanatan Dharm altijd - dat op dit moment van het ritueel de man bij zijn vrouw op de haar­scheiding een vermiljoen poeder (sindhoer) aanbrengt. Deze rode poeder in de haarscheiding en aan het hoorhoofd van de vrouw betekent, dat zij een getrouwd is. Het is geen religieuze handeling, maar een door velen gevolgde traditie.
Tenslotte mag iedereen het bruidspaar hulde brengen. Men strooit bloemen en geroosterde rijstkorrels over hen heen. De pandit bezingt het echtpaar met speciale hymnen en liederen.



4. Huwelijksplechtigheden bij de Arya Samaj
De huwelijksceremonie volgens de Arya Samaj is sober en vergt minder tijd dan die volgens de Sanatan Dharam.
Men kent bij de Arya Samaj geen talak, geen tela­waan; geen matkorowa, geen māro voorzien van plant of stuk hout waar­aan boze gees­ten zijn vastge­knoopt; geen matman­gara, geen nechu; geen imligotai en geen dwaarpuja.


Voor een overzicht staan de huwelijksplechtigheden in de traditie van de Arya Samaj, hier­onder opge­somd.
1. Chekai (verloving, zie barchekki)
2. Bhatwaan (op de dag/avond voor de huwelijksdag). Het belangrijkste op deze, voor de familie een gezelligheids­dag/ -avond is een havan (een vuurofferritueel) en het paffen van de lawa.
Op de dag van het huwelijk:

  1. De bruidegom vertrekt met zijn baraat (bruidstoet) naar de bruid.

Bij aankomst vindt achtereenvolgens plaats:
  1. Agawani: de baraat wordt door de vader en andere mannen ontvangen en naar binnen geleid.
  2. Swagat: de bruidegom wordt door de vrouwen verwelkomt. Daarbij ontvangt de bruidegom en de saibala (bruidsjonker) geschenken.



In de maro:
  1. De bruid betreedt de maro en vangt een vuur­offerritueel (havan) aan.
  2. Halverwege dit ritueel komt de bruidegom in de maro. Aan hem biedt de bruid een mengsel van yogert, ghi en honing als voedsel aan. Dit mengsel heet madhuparak. Symbolisch nuttigt de bruidegom dit voedsel, nadat hij eerst een deel ervan heeft be­stemd voor anderen en voor de natuur.
  3. Panigrahan (kanyadaan): door de hand van zijn dochter in de hand van de bruidegom te leggen, vertrouwt de vader haar aan de bruidegom toe)
  4. Vastradaan (de bruid ontvangt kleding en sieraden van de bruidegom)
  5. Pratigya (het afleggen van de gelofte van wederzijdse trouw)
  6. Agni hotra (het brengen van vijf bijzondere offers (in het vuur). Deze verwijzen naar de dagelijkse plichten van zowel de man als van de vrouw.
  7. Daarna belooft de man om het gezin goede bescherming te bieden en te zorgen voor een goede toekomst voor de kinderen.
  8. Laja Homa: een broer van de bruid komt met lawa (afkomstig van de beide families) en offert samen de bruid en bruidegom in het vuur.
  9. Saptpadi (bruid en bruidegom zetten zeven stappen in noordelijke richting en gaan daarna rond het vuur waarbij beiden met een sjaal aan elkaar zijn verbonden.
  10. Hridayspars: Bruid en bruidegom raken elkaar aan in de hartstreek.
  11. Ashirwaad: bruid en bruidegom de zegenen (van de aanwe­zigen) en zij gaan naar de kohabar.



5. Traditie en gebruiken (riti-rivaaj)
Eerder is al opgemerkt dat de ceremonie en de rituelen in de traditie van de Sanatan Dharam rijk is aan traditie en tal van rites uit het volksgeloof. Zo plant men twee dagen voor de dag waarop het huwelijk zal plaatsvinden, de maro.
Maro is de plek waar de huwelijksceremoniën worden vol­trokken. Deze plek wordt ritueel gemarkeerd en afge­ba­kend. Midden in die ruimte steekt men een banaan­boom­stronk, bamboe struiken en een plankje met zeven inkepingen in de grond. In iedere inkeping wordt een boekje vastgemaakt, waarin de boze geesten zullen worden vastgeknoopt om te voorkomen dat zij schade toebrengen aan het ritueel of ongeluk veroor­zaken aan het echtpaar of aan de familie.
Een dag voor de huwelijksdag, vindt bhatwaan plaats, zoals eerder gezegd,. Het belangrijkste wat er dan gebeurt is het poffen van de lawa in de maro. Op de dag (avond) van bhat­waan poffen vrouwen onder leiding van de zuster(s) van de vader (phoewa) in de maro de benodigde lawa. Het­zelf­de ritueel vindt ook plaats bij de bruidegom aan huis, uiter­aard voltrokken door zijn tante(s), (phuā’s).


De lawa die bij de bruid gepoft wordt, mag niet de nacht in het huis waar zij verblijft doorbrengen. Meteen na het pof­fen, brengt iemand de lawa naar een ander adres, meestal bij een van de buren. In de ochtend wordt de lawa weer opgehaald door een groep vrouwen die zingen en dansend er naar toe gaan en weer terugkomen. Dit is de tweede mat­korowa; deze vindt bij de bruidegom niet plaats.


Terwijl dit bij de bruid plaatsvindt, krijgt de bruidegom (de doelha), in de ochtend van de huwelijksdag in gezel­schap van vijf jongens en één meisje, van nog geen negen jaar oud, rijstebrij te eten. Hij krijgt daarna een blinddoekt om en moet de borden (bladeren) waar­uit de rijstebrij is ge­geten, ergens in de tuin of op het erf om het huis be­graven. Daarbij wordt hij wel geholpen en begeleid. Daarna wordt hij terug naar binnen geleid. Ver­vol­gens wordt zijn blinddoek wegge­nomen en dient hij de plek, waar de borden begraven zijn, zelf (op eigen kracht) terug te vinden. Dit ge­bruik heet kwarpan oetaarana en markeert dat de doelha hierbij zijn kin­derjaren ach­ter zich laat. Hij toont hiermee aan dat hij zelfs in het don­ker (ge­blinddoekt) zich kan oriënteren.


Die middag wordt de bruidegom, met slechts een onder­broek aan, door zijn schoonzus inge­smeerd met ge­malen geelwortel (hardi, kurkuma). Dit ge­bruik heet hardi-lagana. Daarna neemt hij een bad en mag hij zich verder aankleden.


2. Voor dat de baraat, de bruidstoet, vertrekt
In de middag, voor het vertrek, vindt een afscheidsritueel plaats dat nechoe (nechur) heet. De moeder van de bruide­gom zit waar alle rituelen plaatsvinden. Zij draagt de bruids­kroon (maur) op haar hoofd. De bruidegom komt voor haar zitten. Zij bedekt zijn hoofd met een uiteinde van haar kleed (satri). Vrouwen zin­gen huwe­lijksliederen. De voeten van moeder en zoon worden ver­sierd met mehani (henna). Ver­vol­gens komt een broer van de moe­der (een mamoe, oom, van de bruidegom) met ze­ven mango bladeren in de hand. Eerst geeft hij zijn neef een slokje water in de mond. De doelaha moet het water in zijn mond houden en niet doorslikken. Vervolgens houdt de oom de blaadjes één voor één voor de mond van zijn neef en deze bijt de topjes daarvan af. Als de zoon alle zeven topjes in zijn mond heeft ver­za­meld, spuugt hij die – met water en al - uit in de hand van zijn moe­der. Zij gooit alles weer weg. Dit ge­bruik heet imali­gotai. Hiermee neemt de familie van de moeder (hier ver­tegen­woordigd door de oom (ma­moe) van de bruidegom, afstand van de verantwoordelijk­heid die men tot nu toe had voor hem, de bruidegom. Hij wordt nu zelfstandig geacht. De moeder draagt de bruids­kroon (maur) nu over aan haar zoon, door de kroon op zijn hoofd te plaatsen. Nu kan de bruidstoet vertrekken.


Wanneer de doelha wil vertrekken, krijgt hij van zijn moe­der de maur (de bruidkroon) terug op zijn hoofd. Daarna loopt hij drie keer tegen de klok om haar heen; (zij zit nog steeds in de māro). Dan mag hij vertrekken. De volgende personen gaan zeker met hem mee: de vader, een oudere broer – in de regel de oudste – een zwager (deze staat de bruidegom bij­), de saibala (de bruids­knaap) en een helper (naw). Verder mo­gen mee an­dere familieleden, vrienden en kennissen. Traditio­neel gaan vrou­wen niet mee; zeker de moeder niet. Wanneer de vader afwezig (er niet meer) is wordt hij ver­van­gen door de oudste broer of een oom.


De moeder loopt met een beker water in de hand voorop en prenkelt water over het pad waarover haar zoon loopt. Een zus van de bruidegom volgt later met een glas suikerwater. De moeder neemt plaats in de auto (of doli). Haar zoon, de doelha gaat naast haar zitten. De moeder drukt hem drie keer tegen haar borst aan, alsof zij hem (nu voor het laatst) wil laten zogen (te drinken wil geven). De zus met het suikerwater in de hand laat hem een slok uit de beker nemen. De moeder stapt uit en de bruidstoet vertrekt.


II. Bij aankomst van de bruidstoet bij de woning van de bruid of de zaal waarin de huwelijksrituelen voltrokken zullen worden.


1. Agavaani
Hij aankomst van de bruidegom met zijn gevolg bij het huis waar de bruid op dat moment verblijft (of de zaal waar het huwelijk zal worden voltrokken), wordt het gezelschap ver­welkomt door de vader van de bruidegom. Het ontvangt wordt begeleid door een pandit, samen met enkele familie­leden, bekenden en kennissen van de bruid. Beide vaders omhelzen elkaar (waarbij de een de ander probeert op te tillen!), geven elkaar de hand. De vader van de bruid heet iedereen welkom. Hij nodigt de gasten uit om naar binnen te gaan en deel te nemen aan de plechtigheden.


2. Dwaarpuja
Onder de begeleiding van dezelfde pandit verricht de vader van de bruid samen met de bruidegom een kort vuuroffer­ritueel, gericht aan Sri Ganesha, ter inzegening van de ruim­te waarin het huwelijks­ritueel zo meteen voltrokken wordt en ter bescherming van het ritueel.


3. Parchan
De bruidegom (doelha) krijgt vervolgens een zitplaats aan­geboden. Naast hem zit de bruidsjonker (sae­baalaa). Bei­den worden nu door de vrouwen van de familie van de bruid welkom geheten. Als eerste komt de moeder van de bruid met een schaal (thaali) in de hand, met daarin een bran­dende diyali, deegballetjes, bloemen en rijst. Zij draait de thaali met het lichtje om het gezicht van de bruidegom, geeft hem en de bruisjonker een geschenk en gooit met enkele deegballen in de richting van de gasten van de bruidegom. Dit gebruik is symbolisch als verwel­koming en uitnodiging om deel de nemen aan het feest en aan de maaltijd die aanstonds zal worden opge­diend. Na de moe­der van de bruid volgen andere vrouwen uit de familie.


4. Janwaas
Terwijl de vrouwen met de doelaha bezig zijn, krijgen de mee­gekomen gasten van de bruide­gom een plek toege­wezen. Vroeger werd daarvoor een aparte ruimte of gebouw gereserveerd, maar nu gebeurt dat in de zaal zelf, waar het huwelijk wordt voltrokken. Dit ge­bruik heet het toewijzen van janwaas.


5. In de maro
1. De bruid betreedt, begeleid door een schoonzus, (bhauji), de māro. Daar vindt ten aanzien van haar nec­hoe en imali-gotai plaats (eerder bespoken). Zij zit voor de moeder. De meoder bedekt het hoofd van de bruid met een uiteinde van haar sari (kleed). De voeten van zoals de moeder als van de bruid worden versierd met meheni (henna). Terwijl dit ge­beurd, zingen vrouwen toepasselijke huwelijks liederen.
Daarna gaat de bruid terug naar binnen. Traditioneel mag zij nu een bad nemen met water, waarin het water dat de brui­degom heeft meegenomen (bar ke paani) is ver­mengd. Dit ge­bruik wordt tegenwoordig niet erg steng toegepast.
Ondertussen treft de pandit alle voorbereidingen om het huwelijksritueel te voltrekken. Dan komt de bruid terug de maro in, nog steeds bijgestaan door haar schoonzus, maar nu door een andere ingang van de maro dan welke zij de eerste keer al gebuikt had. Zij ontvangt nu een aantal ge­schen­ken van de bruidegom en van diens familie. Dit ge­bruik heet dalmohani. Hierbij is een extra koffer aanwezig met daarin geschenken voor de moeder van de bruid, voor de twee broers van haar die nodig zullen zijn bij het vol­trekken van de huwelijksceremonie en voor de schoonzus die haar helpt. Iedereen neemt het voor hem of haar be­stemd ge­schenk aan, behalve de moeder van de bruid. Zij doet later van haar kant juist een geschenk bij en stuurt de koffer bij het vertrek van de baraat terug naar de moeder van de bruidegom. Traditioneel wordt aan de aanwezigen stuk voor stuk ge­toond wat het geschenk bestemd voor de bruid is, maar tegenwoordig slaat men dit gebruik vaak over.
Hierna treedt een oudere (in de regel de oudste) broer van de bruidegom de māro binnen en bindt een koord om de linkerpols van de bruid – of hij hangt een versierde koord om haar hals, als teken dat hij voortaan als be­schermheer van het hier te vormen echtpaar zal optre­den. Dit ritueel heet dhaag-paat chorana.


Het bankje waarop de bruid en de bruidegom aanstonds plaats zullen nemen, wordt door de beide vaders met bloe­men be­strooit en door de pandit inge­zegend. De pandit begint samen met de bruid een offerdienst. Op een bepaalt moment be­treedt de bruidegom – samen met zijn gevolg - de maro. Hij neemt plaats op het huwelijksbankje, tegenover de bruid. Hij wordt ritueel verwelkomt. Het huwelijkskoord wordt aan het trouwkleed van de bruid (haar sari) en aan de kleding van de bruidegom vastgeknoopt. Symbolisch wordt op deze wijze een brug gemaakt om samen door het leven te gaan. De pandit spreekt daarbij mantra’s uit en bruid en bruidegom maken nu samen de offerdienst af. Een nieuw gezin wordt ge­vormd en ingezegend. De pandit bidt voor geluk en voorspoed. Dit gedeelde van de ceremonie heet mangalpath. Daarna volgt een ritueel dat satbacan heet; het ritueel van de zeven beloften. De bruid plaatst haar rechtervoet op een steen (cil) en stelt (via de pandit) zeven vragen (voor­waar­den). Deze vragen gaan over huwe­lijkstrouw, standvastig­heid, gezamenlijke huishouding, eer­lijk­heid tegenover el­kaar, beheer van geld en goederen, het ver­richten van of­fers, het geven van aalmoezen en de bereidheid tot (weder­zijdse) dienstverlening. Ieder keer als de bruidegom een vraag met 'ja’ beantwoordt (instemt), schuift hij de voet van de bruid een stukje weg van de steen waarop zij haar voet heeft gezet. Dit geschiedt zeven keer, want zij stelt zeven vragen aan haar aanstaande man. De zevende keer ver­wij­dert zij haar voet van de steen. Dit betekent dat zij ak­koord gaat met de antwoorden van de bruidegom.


Hierna vindt de overdracht van de bruid plaats door de ouders van de bruid. Dit ritueel heet kanya­daan of pani­gra­han (pani betekent hand en grahan betekent aanvaar­ding).
Dit is uiteraard een bijzonder moment. De vader van de bruid staat (of zit) in de māro dicht bij de pandit. In zijn rech­terhand hand legt de moeder haar rechterhand en daarop komt de rechter­hand van de bruidegom. De bruid legt ver­volgens haar rechterhand in die van de bruidegom. De vader draagt al de handen. De pandit plaatst in de hand van de bruid een deegbal (loi). Soms omwikkelt de pandit al de handen op elkaar met een wit (katoenen) doek.


Dan treedt een jongere broer van de bruid naar voren met een beker water in de hand. Hij laat vervolgens het water uit de beker in een ononderbroken straal (als een dhaar) over het geheel (van deegbal en handen) stromen. De pandit zegt daarbij mantra’s op ter bevestiging van het ritueel.
Na dit ritueel stapt de bruid naar de overkant en gaat aan de rechterkant van de bruidegom zitten. De ouders van de bruid overhandigen nu de bruidschat en andere geschenken aan de vader van de bruidegom. De bruid en de bruidegom voeren vervolgens een vuuroffer ritueel, een havan, uit.


Daarna volgt de rondgang om het vuur. Men loopt zeven keer om het vuur in de maro. Tijdens de eerste drie rond­gangen zijn de bruid en de bruidegom niet met elkaar ver­bonden en loopt de bruid voor. Dan wordt het huwelijks­koord weer vastgemaakt en loopt de bruidegom vier ronden voor. Dit ritueel heet satbhavar (satbhawar).
Aan het einde van iedere ronde wordt uit het bruidszakje lava– dit is gepofte padi (ongepelde rijstkorrels) – in het vuur geofferd. In het bruidszakje is lawa afkomstig van beide families vermengd. Een broer van de bruid staat met het bruid­zakje in de maro klaar en reikt het echtpaar de lava aan). De bruidegom raakt de hartstreek de bruid (over haar schouders) aan. Daarna nemen bruid en bruide­gom weer plaats op het huwelijksbankje. Nu zit de bruid aan de linker­zijde van de bruidegom, dicht bij het hart. Vervolgens wordt een deken over hen heen getrokken. Daaronder brengt de bruidegom vervolgens een beetje sendhoer (vermiljoen­poe­der) aan in de haar­scheiding van de bruid. Deze sendhoer geeft de ge­huwde staat van de vrouw aan. Dit ritu­eel heet sindhoer­daan. Wanneer zij onder de deken vandaan komen, helpt de schoonzus (bhauji) de bruid begeleid, om het haar en de sindhoer netjes te maken. Daarna omhangen de bruid en de bruidegom elkander een bloemenkrans ten teken dat zij nu met elkaar getrouwd zijn.


Ter afsluiting van de inzegening van het huwelijk volgt man­galashtak. Het echtpaar wordt met bloemen bestrooid, waar­bij de pandit teksten opzegt en zingt voor geluk en voor­spoed. Deze ­tekst bestaat uit acht stoven. Elke strofe eindigt met de woorden: moge elke dag hen voor­spoed en geluk brengen. De ceremonie van de huwelijkssluiting en de hu­welijksinzegening is hiermee afgesloten.

Het bruidspaar gaat – nadat het huwelijksritueel is voltooid - naar een kamer (een ruimte) die kohabar heet. In de koha­bar worden (traditio­neel) gedu­rende de huwelijksperiode de beelden van goden (van devi, devata) en andere heiligdom­men van de familie bewaard. Dan komt de moeder van de bruid de kohabar binnen en vraagt de bruidegom om zijn kroon aan haar af te staan. Zij geeft hem daarvoor een geschenkje; dit kan ook geld zijn. De kroon blijft in dezelfde ruimte, bij de andere heiligdom­men, tot dat het echtpaar met de stoet vertrekt.

Vervolgens krijgt het jonge echtpaar in de kohabar 'zoet, zout en zuur’ te eten. Dit ritueel benadrukt de beloften in de maro gedaan, dat zij voortaan samen door dik en dun, in voor- en in tegen­spoed door het leven zullen te gaan. Daarna doen zij in de kohabar mee aan ludieke spel­letjes, die enkele vrouwen voor hen hebben verzonnen. Deze vrou­wen zijn doorgaans zusters en schoonzussen van de bruid. De spelletjes zijn bedoeld om 'het ijs te breken’ en om de spanning weg te nemen. Meestal gooit iemand een arm­band van de bruid op. Bruid en bruidegom moeten proberen die te vangen. 'Wie de meeste keren de armband vangt, mag thuis 'de broek aan hebben’, wordt er gezegd. Men kan uiteraard ook andere lichtvoetige spelletjes voor het echt­paar verzinnen.


Het is de taak van de zwager van de bruidegom om voor het vertrek de kroon op te halen. Hij geraakt daarbij in een stoei­partij met enkele vrouwen. Deze dames waren eerder ook al aanwezig in de kohabar tijdens de ludieke spelletjes.


Op het afgesproken tijdstip vertrekt het echtpaar (met de baraat) naar (in de regel) de woning van de ouders van de bruidegom. Bij aankomst daar ontvangt de moeder van de bruidegom het echtpaar, in het bijzonder de bruid (doelahin).


Na ontvangst mag de doelahin naar binnen. Vlak voor de deuropening ligt een thali, een koperen schaal, met sindhoer (vermiljoenpoeder) daarin. Naast de thali staat een koperen beker (een lota) met rijst. De doelahin stapt met haar rechter­voet in de thali en legt de linkervoer naast de rechter. Vervolgens stapt zij met haar rechtervoet uit de thali en in één beweging schopt zij de lotā met rijst omver. Zij loopt verder en krijgt een stoel om op te zitten.
De schoonmoeder verwijdert de sluier van de doelahin en begroet haar. Zij geeft haar daarbij een geschenk. Daarna volgt de schoonvader en vervolgens maken andere huis- en fami­liegenoten kennis met de bruid. Bij dit ontvangt krijgt de bruid geschenken aangeboden.


De volgende dag gaat de bruid terug naar haar ouderlijk huis. Zij is immers nog niet verhuisd met al haar persoonlijke spullen. Na een week of wat komt de bruidegom met enkele dichte familieleden de bruid ophalen. Dit afsluitingsritueel heet bida-bidaai. In de regels is dit een feestelijk gebeuren. Wanneer zij vertrekken, verhuist de bruid nu met al haar persoonlijke bezittingen. Het echt­paar betrekt ook een eigen woonruimte.


Aantekeningen
1. Matkorowa. Dit ritueel komt alleen in de traditie van de Sanatan Dharma voor en vindt twee keer plaats. Een groep vrouwen, met de zusters van de vader, de phoewa’s vooraan, gaan met muziek, dansend en zingen naar een waterkant. Een van de vrouwen (een tanta van bruid of bruidegom) draagt een mand op haar hoofd met alles daarin wat ge­bracht of gehaald wordt. Zeven getrouwde vrouwen zijn nodig bij het tillen van de mand en slechts zij mogen aan de spullen in de mand komen.
a. de eerste matkorowa dient om aarde op te graven, be­stemd voor de maro;
b. de tweede matkorowa is bestemd om alle resten van de puja’s, andere ceremoniën en vieringen af te sluiten. De res­ten worden begraven of in het water gestrooid. Hiermee wordt de rust in het gezin (de familie) herstelt.


2. Matmangara. Dit ritueel (bij de Sanatan Dharam) vindt op vergelijkbare wijze plaats als Matkorowa, maar alleen bij de bruid en dient om de lawa (van de vorige avond) op te halen. De lawa mag namelijk niet op hetzelfde adres als waar de bruid is, de nacht door­brengen.


3. Een tweede huwelijk na scheiding of dood
In principe trouwen man en vrouw voor het leven en is echt­scheiding door de godsdienst niet toegestaan. Toch komt echtscheiding wel voor. Oorzaken hiervan kan onder andere de grote verandering van de cultuur zijn, wanneer men naar Nederland komt en men de emancipatie van zo­wel de man als van de vrouw op een andere manier door­maakt dan men dat traditioneel gewend was. Ook als het niet lukt om samen vorm te geven aan een goed huwelijk, wordt lichtvaardig gekozen voor echtscheiding. Omdat een echtscheiding in principe volgens de godsdienst niet moge­lijk is, behoort een tweede huwelijk in principe ook niet tot de mogelijkheden. Tocht wordt er hertrouwd. Wanneer het tot een tweede hu­welijk komt, zoekt men dikwijls naar een vorm om aan deze nieuwe band een bepaalde kracht te geven. Een pandit zal aan een verzoek daartoe gehoor geven. In plaats van echte huwelijksceremoniën wordt er een eenvoudige dienst ge­houden. Als een van beide partners is overleden vindt men in de tra­ditie van de Arya Samaj, dat een tweede huwelijk wel mo­ge­lijk is. Dat huwelijk kan ook met alle ceremoniën wor­den ge­sloten. De Arya Samaj is tot deze overtuiging ge­komen, toen er in het verleden in India veel kinder­huwelijken werden gesloten, waardoor het nogal eens voorkwam, dat een van de partners al overleden was voor dan men tot gezins­vor­ming was overgegaan.


Een tweede huwelijk kan ook op verstande­lijke gronden gesloten worden, bijvoorbeeld wanneer de verzorging van kin­deren in het geding is. Meestal wordt een tweede huwe­lijk door de omgeving geaccepteerd.
In een bijzonder geval staat de Arya Samaja een tweede verbintenis toe. Dit kan bijvoorbeeld wanneer een kinderloos echtpaar kinderen wenst, maar er geen kinderen komen. Deze verbintenis heet niyoga.


Verklarende woordenlijst
Baraat bruidsstoet
Barchekki verloving
Bihaa (zie vivaha) huwelijkssluiting
Bhattwaan feestelijkheden op de dag voor de huwelijkssluiting
Cil Een (platte) steen voor het malen van krui­den; wordt gebruikt bij het af­leggen van de huwelijksbe­loften
Dhag-path Het beschermheerschap van de bruid, vervuld door de oudste (een oudere) broer van de bruidegom
Dwarpoeja Gebedsceremonie bij de ingang van het ouderlijk huis van de bruid
Ghi Geklaarde boter
Hawan of homa Vuurofferdienst
Kanyādaan Het 'wegschenken' van de bruid door haar ouders
Kohabar Ruimte, een kamer, waar de bruid wordt opge­maakt en het pas­ge­trouwde echtpaar van de maro naar toe gaat.
Lawa Gepofte padi, ongepelde rijst
Maro of mandap Afgezonderde ruimte voor de huwelijksceremonie
Matkorwa Het ritueel vindt twee keer plaats. De eerste keer wordt aarde (aan de waterkant) opgraven, waarvan zeven bolletjes worden gemaakt, bestemt voor de kohabar.
De twee­de keer worden de resten na de huwelijksceremoniën be­gra­ven of in het water gestrooid.
Matmangara Het (feestelijk) ophalen van lawa na de ceremoniën.
Mausi Zuster van de moeder (tante)
Moedekhai De ontvangst van de bruid door haar schoonfamilie.
Moksha Bevrijding uit de kringloop van geboren worden en sterven
Padie Ongepelde rijst
Pandit Priester
Parchan Verwelkoming van de bruide­gom door de vrouwen
Phoewa Zuster van de vader (tante)
Poedja (puja) Gebedsdienst / vereringsdienst
Sathpadi De zeven stappen in noordoos­te­lijke richting om het huwelijk te be­zegelen
Sindhoer Vermiljoen (een rode) poeder.
Sindhoerdaan Het aanbrengen van sindhoer in de haar­scheiding van de bruid
Swayamwar Het gebruik waarbij meisjes zelf een echtgenoot mogen te kiezen.
Tilak Ondertrouw
Veda (vier) Oudste geschriften van hindoes
Vivaha (wiwah, bihaa) Huwelijkssluiting



Over het hindoeïsme onder Surinaamse Hindoes:
1. Adhin, Jnan H. 1978, 'Dharam-Karam, uitg. Sam­pre­shan Zoetermeer; ISBN 90-9009. 424-5
Inleidende ethische beschouwingen'; Paramari­bo; isbn 90-9009424-5.
2. 'Hindoeisme binnen ieders bereik’; Studiegroep Hin­doeïsme, Den Haag 1991; isbn 90 73266 01 7
3. 'Hindoeïsme in Nederland’, achtergronden, geloofs­beleving en toekomstperspectieven van Surinaamse hindoes in de Nederlandse samenleving. A.M.G. van Dijk (redactie); Damon 1999; isbn 90 5573 028. 9.
4. 'Voetstappen uit de vedische wereld’; Bijdrage van hin­does aan de interreligieuze dialoog in Nederland door Devi Koeldiep en H.Rambaran. redactie Jan Buikema; uitg. Damon 2004; isbn 90 5573 509 4.
5. 'Sankaar vidhi’ (door Swami Dayananda); pag.177-178); uitg. Sarva­deshik Arya Pratinidhi Sabha, New Delhi, 1985.

 

Geef je mening!

Wat betekent Holi voor jou?